Volledige uitgaven


Klik hier om terug te gaan.

Artikelen archief

Ingezonden brief: reactie op 'Hemofilie - bloedstollende ontwikkelingen' (K&W 5)

Ingezonden brief:

Beste redactie van Kinderarts & Wetenschap,


Naar aanleiding van het laatste nummer van Kinderarts en Wetenschap (en de oproep voor meer interactie) vroeg ik me het volgende af.

In het artikel 'Hemofilie - bloedstollende ontwikkelingen' van Loomans e.a. (K&W 5, pagina 15 ev, zie onderaan deze brief) wordt genoemd dat een van de complicaties van behandeling van hemofilie de ontwikkeling van remmende antistoffen ('remmers') is.

Later wordt genoemd dat gentherapie een veelbelovende therapie is: genezend, en minder invasief.

Ik vroeg me af: zou de aanwezigheid van stollingsfactoren na gentherapie op den duur ook leiden tot ontwikkeling van remmers? Ik heb me dat eigenlijk niet eerder afgevraagd, maar in principe brengt natuurlijk elke vorm van gentherapie een lichaamsvreemd eiwit voort - volgt er dan telkens een immunologische reactie?

Vriendelijke groet,
Klaas Koop

Hemofilie – bloedstollende ontwikkelingen (alleen abonnees)


Antwoord van de auteur:

Beste Klaas Koop,

Hartelijk bedankt voor uw interessante vraag: zou de aanwezigheid van stollingsfactoren na gentherapie op den duur ook leiden tot ontwikkeling van remmers?

Het risico op de vorming van remmende antistoffen na gentherapie bij mensen is helaas nog niet bekend en we kunnen alleen speculeren over het antwoord. Het risico op remmende antistoffen bij hemofilie B is lager dan bij hemofilie A en tot nu toe zijn alleen 6 volwassen hemofilie
B-patiënten in studies naar gentherapie geïncludeerd. Bij deze patiënten is geen remmer opgetreden, maar gegeven dit kleine aantal en het feit dat het hemofilie B-patiënten betrof, kunnen we hier nog weinig over zeggen. Daarnaast waren deze 6 mannen zorgvuldig gescreend op remmers voor aanvang van de studie. Het is dus ook nog niet bekend of gentherapie werkt bij patiënten die voor of op het moment van gentherapie een remmer hadden. BIj hemofilie A-patiënten is nog geen gentherapie toegepast, de ontwikkeling hiervan zal meer tijd nodig hebben, maar verwacht wordt wel dat er een risico op de vorming van remmers blijft bestaan. In een recente publicatie in blood (zie pdf in bijlage) worden drie fase I/II klinische trials beschreven waarin men virale vectoren test voor afgifte van een gezonde kopie van het F8 gen in hemofilie A. Zij zagen geen remmervorming bij immunocompetente muismodellen, maar wel bij sommige apen. Echter, er kon wel tolerantie bereikt worden door korte behandeling met een immunosupressief regime met rituximab.

Gentherapie zal verder in de toekomst ook grotendeels gecombineerd gaan worden met FVIII/FIX-concentraat, omdat de opbrengst van FVIII/FIX bij respectievelijk diermodellen en mensen vooralsnog te weinig is om veiligheid bij bijvoorbeeld grotere chirurgische ingrepen of bloedingen te waarborgen. Door deze blootstelling zal er een risico op remmers blijven bestaan.

Hartelijke groet,

Janneke Loomans
website NVK